Onderrichtsboekje 2020

Inhoudsopgave

Citaten uit recente brieven

Brief 9 mei

9 mei 2020 Brief aan alle Nationale Geestelijke Raden

Er is dus veel bereikt, en dit is een duidelijke indicatie voor de kracht en het vertrouwen van de bahá’í-gemeenschap. Maar, zoals u al weet, heeft de huidige crisis de context veranderd waarin het Plan wordt voortgezet. Wij zijn onder de indruk van het aantal gemeenschappen dat grote stappen heeft gezet in het aanpassen aan deze nieuwe realiteit. Verre van de huidige periode als simpelweg een leemte te zien die met geduld moet worden verdragen, onderkennen zij dat de toestand van de wereld de noodzaak om de mensheid zinvolle diensten te bewijzen urgenter maakt. Natuurlijk moeten de ondernomen activiteiten passen bij de huidige omstandigheden, maar er mag geen twijfel over bestaan dat dit het moment is voor nobele doelen, grote vastberadenheid en intensieve inspanningen… Kortom, de bevordering van het Plan impliceert capaciteitsopbouw om in elke periode en omstandigheid het pad van dienstbaarheid te bewandelen – waar zeker ook momenten van acuut gevaar in het leven van de mensheid bij horen, zoals nu. Het is dus essentieel dat de stappen die worden genomen om te leren hoe het kader van het Plan voor actie kan worden toegepast op de huidige omstandigheden in de wereld, serieus worden voortgezet; de wereldwijde gezondheidscrisis zal naar alle waarschijnlijkheid, in meer of mindere mate, nog maanden of zelfs jaren een directe invloed hebben op bahá’í-activiteiten, en de taak om zich aan de situatie aan te passen kan niet worden uitgesteld.

Wij beseffen natuurlijk dat sommige activiteiten moeten worden opgeschort en dat bepaalde strategieën of werkwijzen, die niet geschikt zijn voor de huidige omstandigheden, voor enige tijd terzijde worden gezet. Echter, terwijl bepaalde mogelijkheden tijdelijk zijn uitgesloten, ontstaan er andere mogelijkheden, en verschijnen er nieuwe middelen om de bestaande activiteitenpatronen te versterken. Flexibiliteit is een kwaliteit gebleken, maar zo ook waakzaamheid om ervoor te zorgen dat het voornamelijk lokale karakter van de gemeenschapsactiviteiten niet verwatert; de inspanningen om bloeiende gemeenschappen binnen wijken en dorpen en clusterbreed te voeden, moeten worden voortgezet. In sommige gevallen hebben de huidige omstandigheden onverwachte mogelijkheden gecreëerd om de deelname van de gemeenschap aan gebedsbijeenkomsten en leerkringen, met inachtneming van veiligheid, te verbreden.

Wanneer de samenleving zo in moeilijkheden en nood verkeert, wordt de verantwoordelijkheid van de bahá’ís om een constructieve bijdrage te leveren aan menselijke aangelegenheden duidelijker. Dit is het moment waarop verschillende, maar onderling samenhangende actielijnen op één punt samenkomen, en waarop de oproep tot dienstbaarheid luid klinkt. Het individu, de gemeenschap en de instellingen van het Geloof – onafscheidelijke voorvechters van de vooruitgang van de beschaving – zijn in de positie om de onderscheidende kenmerken van de bahá’í-levenswijze aan te tonen, gekenmerkt door een grotere volwassenheid in de uitvoering van hun verantwoordelijkheden en in hun onderlinge relaties. Ze worden opgeroepen om de maatschappijopbouwende krachten van het Geloof nog meer te laten zien… In een tijd waarin de urgentie van het bereiken van hogere niveaus van eenheid, gebaseerd op de onbetwistbare waarheid van het één-zijn van de mensheid, voor steeds grotere aantallen duidelijk wordt, heeft de samenleving behoefte aan duidelijke stemmen die de geestelijke principes kunnen verwoorden die ten grondslag liggen aan een dergelijk streven.

U bent zich er natuurlijk altijd van bewust dat uw verantwoordelijkheden verder reiken dan het besturen van de aangelegenheden van de gemeenschap en het kanaliseren van haar energie naar de vervulling van nobele doelen: u probeert het bewustzijn te verhogen van die geestelijke krachten die beschikbaar zijn voor elke overtuigde gelovige en die moeten worden gebundeld in het uur van nood. Het zijn deze krachten die de gemeenschap veerkracht geven, haar integriteit waarborgen en haar gericht houden op haar goddelijke missie om de mensheid te dienen en haar visie op de toekomst te verheffen.

Ridvanboodschap 2020

Hoe lang en moeizaam de weg die moet worden afgelegd ook is, wij hebben het volste vertrouwen in uw standvastigheid en uw vastberadenheid om de reis te volbrengen. U put uit een overvloed aan hoop, geloof en grootmoedigheid, waarbij u de behoeften van anderen boven die van uzelf stelt, zodat degenen die behoeftig zijn geestelijk gevoed worden, degenen die steeds meer dorsten naar antwoorden tevreden gesteld worden, en degenen die ernaar verlangen om te werken aan de verbetering van de wereld de middelen daarvoor aangeboden krijgen. Hoe kunnen wij van de toegewijde volgelingen van de Gezegende Volmaaktheid minder verwachten?

Naw-Ruzboodschap 2020

Bij een andere crisis heeft ’Abdu’l-Bahá deze raadgeving gegeven: “Op een dag als deze, wanneer de stormen van beproevingen en problemen de wereld hebben omvat, en angst en beven de planeet in beroering hebben gebracht, moet u allen met een verlicht gelaat en een stralend voorhoofd boven de horizon van vastberadenheid en standvastigheid uitstijgen, op zo’n wijze dat, als God het wil, de duisternis van angst en ontzetting volledig kan worden verdreven, en het licht van zekerheid boven de zichtbare horizon kan aanbreken en stralen.” De wereld heeft steeds meer behoefte aan de hoop en de geestkracht die voortkomen uit geloof. Geliefde vrienden, u bent natuurlijk reeds lang bezig met het binnen groepen mensen bevorderen van precies die eigenschappen die in deze tijd nodig zijn: eenheid en medegevoel, kennis en begrip, een geest van collectieve aanbidding en gemeenschappelijk streven. Sterker nog, wij zijn onder de indruk hoe de inspanningen om deze eigenschappen te versterken gemeenschappen bijzonder veerkrachtig hebben gemaakt, zelfs onder omstandigheden die hun activiteiten onvermijdelijk hebben beperkt. Hoewel ze zich moeten aanpassen aan nieuwe omstandigheden, gebruiken de gelovigen creatieve manieren om vriendschapsbanden te versterken en om onderling, en met degenen die ze kennen, geestelijk bewustzijn en de kwaliteiten van rust, zekerheid en vertrouwen in God te bevorderen. De verheven gesprekken die als gevolg daarvan worden gevoerd, zowel op afstand als in persoon, zijn voor velen een bron van troost en inspiratie. Zulke inspanningen van uw kant leveren een waardevolle bijdrage in deze periode, wanneer vele zielen verbijsterd en ontsteld zijn, onzeker over wat er gaat gebeuren. Hoe moeilijk de zaken op dit moment ook zijn en hoe dicht ook sommige delen van samenlevingen bij de grenzen van hun uithoudingsvermogen worden gebracht, zal de mensheid uiteindelijk door deze beproeving heen komen en zal ze aan de andere kant tevoorschijn komen met meer inzicht en met een diepere waardering voor haar inherente éénzijn en onderlinge afhankelijkheid.

Op dit moment zijn onze gedachten en onze gebeden gericht op de gezondheid en het welzijn van alle vrienden van God en al degenen om u heen. We bidden ook oprecht dat de Almachtige u zekerheid, uithoudingsvermogen en een standvastige geest zal schenken. Mogen uw gedachten altijd gericht zijn op de behoeften van de gemeenschappen waartoe u behoort, op de toestand van de samenleving waarin u leeft, en op het welzijn van de hele mensenfamilie, voor wie u allen broeders en zusters bent. En op uw stille momenten, wanneer geen andere actie dan gebed mogelijk lijkt, nodigen wij u uit om uw smeekbeden toe te voegen aan de onze, en vurig te bidden voor verlichting van het lijden. We wenden ons tot deze woorden van ’Abdu’l-Bahá, Wiens hele leven een voorbeeld was van onbaatzuchtige toewijding aan het welzijn van anderen:

O Gij Verzorger! Sta deze nobele vrienden bij om Uw welbehagen te verwerven en laat hen mensen worden die het goed voor hebben met zowel vriend als vreemdeling. Breng hen de wereld die eeuwig voortbestaat binnen; vergun hun een deel van de hemelse genade; breng hen ertoe ware bahá’ís te zijn, oprecht tot God behorend; verlos hen vanuiterlijke schijn en vestig hen hecht in de waarheid. Maak hen tekenen en symbolen van het Koninkrijk, lichtende sterren boven de horizon van dit aardse leven. Maak hen tot steun en troost voor de mensheid en dienaren van wereldvrede.

Citaten over onderricht

Bahá’u’lláh heeft gezegd:

“O gij geliefden Gods! Rust niet op uw sponde, neen, maakt u op zodra gij uw Heer, de Schepper, erkent en luistert naar de dingen die Hem zijn overkomen, en snelt Hem te hulp. Maakt uw tong los en verkondigt Zijn Zaak ononderbroken. Dit zal beter voor u zijn dan alle schatten uit het verleden en van de toekomst, indien gij behoort tot hen die deze waarheid begrijpen.”

’Abdu’l-Bahá leert ons:

“Juist op zulke momenten moeten de vrienden van God de gelegenheid te baat nemen, de mogelijkheid aangrijpen, voorwaarts snellen en zegevieren. Indien hun taak beperkt moet blijven tot goed gedrag en advies, zal er niets tot stand gebracht worden. Zij moeten vrijuit spreken, bewijzen uiteenzetten, duidelijke bewijzen aanvoeren en onweerlegbare gevolgtrekkingen maken om de waarheid van de manifestatie van de Zon van Werkelijkheid te staven.”

“Kijkt dan niet naar de mate van uw bekwaamheid, kijkt naar de onbegrensde gunst van Bahá’u’lláh; alomvattend is Zijn milddadigheid en volmaakt is Zijn gunst.”

“Keert uw gelaat naar het Koninkrijk Gods, vraagt de gaven van de Heilige Geest, spreekt, en de Geest zal u bekrachtigen.”

Shoghi Effendi heeft verklaard:

“Als de vrienden steeds zouden wachten totdat zij volledig bekwaam waren om een bepaalde taak uit te voeren, zou het werk van de Zaak bijna stilstaan! Maar alleen al het streven om te dienen, hoe onwaardig iemand zich ook mag voelen, trekt de zegeningen van God aan en stelt hem in staat geschikter voor zijn taak te worden.”

“De behoefte van de mensheid om de goddelijke Boodschap te horen is nu zo groot, dat de gelovigen zich, waar en hoe dan ook, in het werk moeten storten zonder te letten op hun eigen tekortkomingen, maar altijd vol aandacht voor de schreeuwende behoefte van hun medemensen om in het donkerste uur van beproeving de Leringen van Bahá’u’lláh te horen.”

Kwaliteiten en Houding van een Onderrichter

Moed

`Abdu’l-Bahá zegt:

“Spreek dan ook, spreek ronduit in iedere bijeenkomst met grote moed. Wanneer u op het punt staat uw voordracht te houden, keer u dan eerst tot Bahá’u’lláh en vraag om de bekrachtiging van de Heilige Geest, begin dan te spreken en zeg alles wat uw hart u ingeeft; dit echter met de grootste moed, waardigheid en overtuiging.”

“De bahá’í-leraar moet volledig vertrouwen hebben. Daarin ligt zijn kracht en het geheim van zijn succes. Al zou u alleen staan, en het maakt niet uit hoe groot de apathie van de mensen om u heen ook is, u moet geloven dat de scharen van het Koninkrijk u terzijde staan en dat u door hun hulp de duistere krachten die tegen de Zaak van God gekant zijn, stellig zult overwinnen. Volhard daarom en wees gelukkig en vol vertrouwen.”

Onthechting (Boek 6, H.2, Paragraaf 8)

Bahá’u’lláh heeft verklaard:

“Als zij opstaan om Mijn Zaak te onderrichten moeten zij zich door de ademtocht van Hem Die de Onbeperkte is, laten beroeren en het Geloof met grote vastberadenheid over de gehele aarde verspreiden, hun gedachten volledig op Hem gericht, met een hart dat volkomen onthecht en onafhankelijk is van alles, en met een ziel die geheiligd is van de wereld en haar ijdelheden. Het betaamt hen als de beste leeftocht voor hun reis vertrouwen op God te kiezen en zich te kleden met de liefde van hun Heer, de Verhevenste, de Alglorierijke. Als zij dit doen, dan zullen hun woorden hun toehoorders beïnvloeden.”

`Abdu’l-Bahá heeft gezegd:

“Deze zullen onafgebroken werken, dag en nacht, zij zullen geen acht slaan op beproevingen noch ellende, zullen zich bij hun inspanningen geen uitstel toestaan, zich geen rust gunnen, alle gemak en troost negeren en, onthecht en zuiver, zullen ze ieder voorbijgaand ogenblik van hun leven wijden aan het verspreiden van goddelijke geur en de verheffing van Gods heilig Woord.”

(Voorlopige vertalingen, Selectie uit de Geschriften van ’Abdu’l-Bahá)

De kracht van goddelijke bijstand

Bahá’u’lláh zegt:

“Weest niet ontmoedigd, o volkeren der aarde, wanneer de dagster van Mijn schoonheid is ondergegaan en de hemel van Mijn aardse tempel aan uw oog is onttrokken. Verheft u om Mijn Zaak te bevorderen en Mijn Woord onder de mensen te verheerlijken. Wij zijn te allen tijde met u en zullen u sterken door de kracht van de waarheid. Wij zijn waarlijk almachtig. Al wie Mij heeft erkend, zal opstaan en Mij met zulk een vastberadenheid dienen dat de krachten van hemel en aarde hem niet van zijn doel zullen kunnen afhouden.”

Bahá’u’lláh, die de volle kracht van Zijn onoverwinnelijke macht wenst te openbaren, verzekert:

“Bij de rechtvaardigheid van God, mocht iemand, geheel alleen, opstaan in de naam van Bahá en zich hullen in de wapenrusting van Zijn liefde, dan zal de Almachtige hem doen zegevieren, al zouden de machten van hemel en aarde zich tegen hem opstellen”.

’Abdu’l-Bahá heeft gezegd:

“Hij zal u met onzichtbare heerscharen te hulp komen en u met de legers van inspiratie vanuit de Menigten in het hiernamaals terzijde staan; Hij zal zoete geuren uit het hoogste Paradijs tot u zenden en de zuivere ademtochten, die van uit de rozentuinen van het Gezelschap in den hoge waaien, over u voeren. Hij zal de geest des levens in uw hart ademen, er voor zorgen dat u de Ark van verlossing binnentreedt en u Zijn heldere en ondubbelzinnige tekenen en bewijzen onthullen. Dit, waarlijk, is overvloedige genade. Dit, waarlijk, is de overwinning die niemand kan loochenen.”

(Voorlopige vertalingen, Selectie uit de Geschriften van ’Abdu’l-Bahá.)

“…Weest ervan verzekerd, dat als iemand met uiterste volharding opstaat en de Oproep van het Koninkrijk aanheft en het Verbond daadkrachtig verkondigt, deze persoon, al ware hij een onbeduidend mier, de bekwaamheid zal ontvangen om de geduchte olifant uit de arena te verdrijven, en hij, al ware hij een fragiele mot, het gevederte van de roofzuchtige aasgier aan stukken zal snijden.”

(Voorlopige vertalingen, Selectie uit de Geschriften van ’Abdu’l-Bahá)

“Steeds wanneer heilige zielen die de hemelse krachten aantrekken, met zulke eigenschappen van de geest zullen verrijzen en eendrachtig en in gesloten gelederen oprukken, dan zal een ieder van hen als duizend man tellen en de aanzwellende golven van die machtige oceaan zullen als regimenten van de Schare in den hoge zijn.”

“Treurt niet over uw geringe aantal en dankt God voor uw geestkracht. Hij zal u met zulk een bekrachtiging bijstaan, dat het verstand versteld zal staan en de mensen zich erover zullen verwonderen.”

“Verhef u met al uw krachten om het Verbond van God te steunen en in Zijn wijngaard te dienen. Wees vol vertrouwen dat u bekrachtigd zult worden en een goede afloop ten behoeve van God u geschonken wordt. Waarlijk, Hij zal u door de engelen van Zijn heiligheid steunen en u met de ademtocht van de Geest sterken, opdat gij de Veilige Ark moogt ingaan, de zeer duidelijke tekenen bekendmaken, de geest des levens overdragen, de essentie van Zijn geboden en voorschriften bekendmaken, de schapen hoeden die in alle richtingen afdwalen van de kudde en de zegen geven. Gij moet alles wat in uw vermogen ligt aanwenden om u in deze nieuwe eeuw serieus en met wijsheid in te spannen. Bij God, de Heer der heerscharen is u waarlijk tot steun, de engelen des hemels zijn uw hulp, de Heilige Geest is uw metgezel en het Middelpunt van het Verbond is uw helper. Wees niet lui , maar blijf actief en vrees niet”.

En in de Toespraken van ’Abdu’l-Bahá in Parijs zegt hij:

“Denkt niet aan uw eigen beperkingen; Gods hulp zal tot u komen. Vergeet uzelf. De hulp van God zal zeker komen! Wanneer u de Barmhartigheid van God inroept in de verwachting dat deze u zal sterken, zal uw kracht vertienvoudigd worden. Kijk naar mij; ik ben zo zwak en toch is mij de kracht gegeven naar u toe te komen; een arme dienaar van God die in staat is gesteld u deze boodschap te brengen! Ik zal niet lang bij u zijn! Men moet nooit op zijn eigen zwakheid letten; het is de kracht van de liefde van de Heilige Geest die het vermogen schenkt om te onderrichten. De gedachte aan onze eigen zwakheid kan alleen maar wanhoop teweegbrengen. Wij moeten verder zien dan alle aardse gedachten, ons onthechten van ieder werelds begrip, vurig verlangen naar de dingen van de geest, onze ogen richten op de eeuwigdurende, milddadige Barmhartigheid van de Almachtige Die onze ziel zal vervullen met de blijheid van vreugdevolle dienstbaarheid aan Zijn gebod `Hebt elkander lief’.”

Goddelijke bekrachtiging (Boek 2, H.1, paragraaf 9)

We hebben gereflecteerd over de grootsheid van Bahá’u’lláh’s Openbaring en hebben gezien hoe belangrijk het voor ons is Zijn Woord met anderen te delen. We begrijpen volledig dat de vreugde van het onderrichten ligt in de daad van het delen van Zijn Woord. Om deze vreugde te behouden moeten we onthecht zijn van de dingen van deze wereld, van het verlangen naar lof en erkenning, en moeten we bereid zijn ons in te spannen en offers te brengen.

In de aanhalingen hieronder zegt Bahá’u’lláh ons dat we moeten opstaan om zielen naar Zijn Geloof te leiden. Hij verzekert ons dat wanneer we dat doen de heerscharen van goddelijke inspiratie op ons zullen neerdalen en ons zullen helpen. Vol vertrouwen in de niet aflatende bijstand van Bahá’u’lláh moeten we ons van alle dingen onthechten, onbelemmerd zijn als de wind en de blijde boodschap van Zijn Openbaring in iedere richting verspreiden.

“Omgordt de lendenen van uw streven, opdat gij wellicht uw naaste kunt leiden naar de wet van God, de Algenadige. Waarlijk, zulk een daad overtreft in de ogen van God, de Albezittende, de Allerhoogste, alle andere daden.”

“Bij de rechtvaardigheid Gods! Al wie in deze Dag zijn mond opent en melding maakt van de naam van zijn Heer, op hem zullen de heerscharen van goddelijke inspiratie neerdalen vanuit de hemel van Mijn Naam, de Alwetende, de Alwijze.”

“Al wie opstaat om Onze Zaak te onderrichten, moet zich onthechten van alle aardse dingen en te allen tijde de overwinning van Ons Geloof als zijn hoogste doel beschouwen.”

“Wees onbelemmerd gelijk de wind wanneer gij de Boodschap uitdraagt van Hem die de Dageraad van goddelijke leiding deed aanbreken.”

“Wanneer de overwinning is gekomen, zal ieder mens zich een gelovige noemen en zich spoeden naar de beschutting van Gods Geloof. Gelukkig zij die in de dagen van wereldomvattende beproevingen getrouw bleven aan de Zaak en weigerden van de waarheid ervan af te wijken.”

“O Zoon van het Bestaan! Maak melding van Mij op Mijn aarde, dat Ik in Mijn hemel u kan gedenken. Aldus zullen Mijn ogen en de uwe worden vertroost.”

Volmaaktheid en nederigheid (Boek 6 Hoofdstuk 2 Paragraaf 10)

Van een onderrichter van het Geloof wordt geen volmaaktheid verwacht. Wat van ons wordt verwacht is dat we ons een doel stellen en er nauwgezet naartoe werken. We moeten bereid zijn de weg die leidt naar volmaaktheid te gaan, hoe ver weg het uiteindelijke doel ook lijkt. En het is noodzakelijk om ons te herinneren dat we, om dit pad te kunnen volgen, nederig moeten zijn. Want zonder nederigheid wordt succes de oorzaak van ondergang en zal het zaad dat we in het hart van de ander hebben gezaaid, bezoedeld worden.`Abdu’l-Bahá zegt ons:

“De onderrichter moet zelf, al onderrichtend, vol vuur zijn, zodat zijn woorden gelijk een vlam invloed zullen uitoefenen en de sluier van zelfzucht en hartstocht verteren. Hij moet eveneens volkomen nederig en bescheiden zijn, opdat anderen gesticht mogen worden, en hij moet zich geheel wegcijferen, zodat hij kan onderrichten met de melodie van de Schare in den hoge – anders zal zijn onderricht geen resultaat hebben.”

En in een ander citaat waarschuwt hij ons:

“In overeenstemming met de goddelijke leringen in deze glorierijke Beschikking moeten wij niemand kleineren en hem onwetend noemen door te zeggen: ‘U weet het niet, maar ik weet het’. Wij moeten anderen liever met achting bezien en als wij trachten iets uit te leggen en aan te tonen, moeten wij spreken alsof wij de waarheid onderzoeken en zeggen: ‘Hier liggen de feiten voor ons. Laten wij ze onderzoeken om vast te stellen waar en in welke vorm de waarheid gevonden kan worden’. De onderrichter behoort zichzelf niet als geleerd en de anderen als onwetend te beschouwen. Zulk een gedachte kweekt trots, en trots is niet bevorderlijk voor invloed. De onderrichter moet zichzelf nooit als de meerdere zien, hij moet met de grootste vriendelijkheid, deemoedigheid en bescheidenheid spreken, want een dergelijk gesprek oefent invloed uit en voedt de mensen op.”

En Shoghi Effendi vertelt ons:

“Misschien is de reden dat u op het gebied van het onderricht niet zoveel tot stand hebt gebracht, de mate waarin u naar uw eigen zwakheden en onbekwaamheden hebt gekeken bij het verspreiden van de Boodschap. Bahá’u’lláh en de Meester hebben er beiden herhaaldelijk de nadruk op gelegd onze eigen belemmeringen te negeren en geheel op God te vertrouwen. Hij zal ons te hulp komen als wij maar opstaan en een werkzaam kanaal voor Gods genade worden. Denkt u dat het de leraren zijn die bekeerlingen maken en het hart van de mensen veranderen? Neen, zeker niet. Het zijn alleen de zuivere zielen die de eerste stap doen en zich dan door de geest van Bahá’u’lláh laten beroeren en van zich gebruik laten maken. Als één van hen maar een seconde zou denken dat zijn succes aan zijn eigen bekwaamheden te danken is, dan is zijn werk afgelopen en begint zijn val. Dit is in feite de reden waarom zovele bekwame mensen, na een tijd van voorbeeldig dienstbetoon, plotseling totaal machteloos waren en zich misschien door de geest van de Zaak als nutteloos terzijde geschoven voelden. Het criterium is in hoeverre wij bereid zijn de Wil van God door ons heen te laten werken.
Denk daarom niet meer aan uw eigen zwakheden, vertrouw daarvoor volkomen op God, laat uw hart vervuld zijn van verlangen Zijn Zending te dienen en Zijn roep te verkondigen, en u zult bemerken hoe welsprekendheid en de kracht om het menselijk hart te veranderen als vanzelfsprekend zullen komen.
Shoghi Effendi zal zeker bidden voor uw succes als u zou opstaan en zou beginnen te onderrichten. In feite zal alleen al uw besluit om op te staan u verzekeren van Gods hulp en zegen.”

Ware opoffering (Boek 2, Hoofdstuk 1, Paragraaf 7)

Een andere gesteldheid die ons helpt de vreugde in onze diensten aan de Zaak levend te houden is onze bereidheid om ons in te spannen en offers te brengen. Wij gebruiken het woord “opoffering” vaak in ons dagelijks leven. Als een dierbare vriend bij het krieken van de dag op reis gaat, staan we vroeg op om hem te zien voordat hij vertrekt. We zeggen dan dat we enkele uren slaap hebben opgeofferd. Als iemand van wie we houden ziek is offeren we graag een paar uur van ons favoriete tijdverdrijf op om voor hem te zorgen. We zeggen dat wij ons gemak opofferen als we elke dag een grote afstand naar school moeten lopen, en dat we geld opofferen dat we normaal gesproken aan ons gezin zouden besteden wanneer we geven aan een goed doel.

Dienstbaarheid aan het Geloof houdt ook opoffering in. Wij kunnen minder tijd aan andere dingen besteden om bahá’í-activiteiten bij te wonen. We moeten ongemak accepteren, wat van onze materiële middelen spenderen en zelfs afzien van sommige van onze plannen en dromen. Echter, we zouden moeten begrijpen dat we daardoor de dingen van deze wereld achter ons laten en geestelijk geluk verkrijgen en onze geestelijke vooruitgang bevorderen. God verhoede dat we ooit zullen denken dat wij Hem een gunst bewijzen wanneer wij het Geloof dienen. De mogelijkheden tot dienstbaarheid die wij krijgen worden ons door God geschonken, en onze houding in dienstbaarheid moet er een zijn van nederige dankbaarheid.

Bahá’u’lláh zegt:

“Als wij Hem willen zoeken is hard werken van node; er is ijver van node als we de honing der vereniging met Hem willen smaken, en als wij van die kelk proeven zullen wij de wereld van ons werpen.”

’Abdu’l-Bahá zegt:

“. . . Rust daarom niet, gun u geen bedaard leven, hecht u niet aan de weelde van deze kortstondige wereld, bevrijdt u van iedere gehechtheid en streeft er met hart en ziel naar om u volledig te kunnen vestigen in het Koninkrijk Gods. Verwerft de hemelse schatten. Wordt dag aan dag meer verlicht. Nadert steeds meer de drempel van eenheid.”

We moeten altijd onthouden dat de ware aard van opoffering is dat je iets lagers opgeeft voor iets hogers. Daarom is opoffering, hoewel het pijn met zich meebrengt, in werkelijkheid een brenger van vreugde. ’Abdu’l-Bahá zegt:

“Totdat iemand het niveau van opoffering betreedt is hij van iedere gunst en genade verstoken; en dit niveau van opoffering is het rijk van het sterven jegens het zelf, opdat dan de luister van de levende God moge stralen.”

’Abdu’l-Bahá, het Voorbeeld (Boek 6, Hoofdstuk 2, Paragraaf 17)

De Behoeder zegt ons:

“Laten we ook het voorbeeld dat onze geliefde Meester ons zo duidelijk heeft gegeven voor ogen houden. Wijs en tactvol in zijn aanpak, waakzaam en aandachtig in zijn eerste contact, ruimdenkend en liberaal in zijn openbare uitspraken, voorzichtig en geleidelijk de essentiële waarheden van de Zaak ontvouwend, hartstochtelijk in zijn oproep en toch gematigd in zijn bewijsvoering, verzekerd van toon, onwankelbaar in zijn overtuiging, met waardige manieren – dat waren de onderscheidende kenmerken van de nobele presentatie van het Geloof van Bahá’u’lláh door onze Geliefde.”

Gebeden

Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God, dat Gij de Dag die de Koning der Dagen is hebt geopenbaard, de Dag die Gij in Uw voortreffelijke Tafelen hebt aangekondigd aan Uw uitverkorenen en Uw profeten, de Dag waarop Gij de pracht van de glorie van al Uw namen over al het geschapene hebt uitgestort. Groot is de zegening van hem die zich tot U heeft gekeerd en Uw tegenwoordigheid heeft bereikt, en de klank van Uw stem heeft gehoord.

Ik smeek U, o mijn Heer, bij de naam van Hem rond wie het koninkrijk van Uw namen in aanbidding cirkelt, dat Gij hen die U lief zijn genadiglijk bij zult staan om Uw woord onder Uw dienaren te verheerlijken en Uw lof onder Uw schepselen te verspreiden, opdat de vervoering van Uw openbaring de ziel van alle bewoners van Uw aarde vervulle.

Nu Gij hen naar de levende wateren van Uw genade geleid hebt, o mijn Heer, geef dan door Uw gunst dat zij niet van U worden weggehouden; en nu Gij hen tot de plaats van Uw troon geroepen hebt, verdrijf hen, in Uw goedertierenheid, niet van Uw tegenwoordigheid.

Zend dan datgene tot hen neer wat hen geheel los zal maken van alles buiten U, en stel hen in staat hun vlucht te nemen naar de sferen van Uw nabijheid, op zulk een wijze dat noch het overwicht van de onderdrukker noch de inblazingen van hen die niet in Uw zeer verheven en machtige Zelf geloven, bij machte zullen zijn hen van U weg houden.

Bahá’u’lláh

Ere zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam welke niemand naar behoren heeft erkend, en welks betekenis geen ziel heeft doorgrond; ik smeek U bij Hem die de Bron is van Uw Openbaring en de Dageraad van Uw tekenen, mijn hart tot een bewaarplaats van Uw liefde en van het U gedenken te maken. Verbind het dan met Uw grootste Oceaan, dat de levende wateren van Uw wijsheid en de kristalheldere stromen van Uw verheerlijking en lof eruit voort mogen vloeien.

Mijn ledematen getuigen van Uw eenheid, en de haren op mijn hoofd bevestigen de kracht van Uw soevereiniteit en macht. Ik sta aan de deur van Uw genade in volkomen deemoed en volledige zelfverloochening, klem mij aan de zoom van Uw milddadigheid, en richt mijn ogen op de horizon van Uw gaven.

Bestemt Gij toch voor mij, o mijn God, hetgeen de grootheid van Uw majesteit past, en help mij door Uw sterkende genade Uw Zaak zo te onderrichten dat de doden zich uit hun graven spoeden en zich naar U haasten in volledig vertrouwen op U, met hun blik gericht op het morgenland van Uw Zaak en dageraadsplaats van Uw Openbaring.

Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Hoogste, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

Zeg: Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor de pracht van het licht van wijsheid luisterrijk heeft geschenen toen de hemelen van goddelijke uiting onder de mensheid in beweging zijn gebracht, om mij genadiglijk te helpen door Uw hemelse bevestiging en mij in staat te stellen Uw Naam onder Uw dienaren te verheerlijken.

O Heer! Tot U heb ik mijn gelaat gekeerd, onthecht van alles buiten U, en ik houd mij vast aan de zoom van de mantel van Uw veelvuldige zegeningen. Maak daarom mijn tong los om datgene te verkondigen wat het gemoed der mensen bekoort en hun ziel en geest verblijdt. Sterk mij dan zodanig in Uw Zaak dat ik niet gehinderd word door het overwicht van de onderdrukkers onder Uw schepselen, noch weerhouden word door de aanvallen van de ongelovigen onder hen die in Uw rijk verblijven. Maak mij als een lamp die in Uw gehele gebied schijnt, opdat degenen in wiens hart het licht van Uw kennis gloeit en het verlangen naar Uw liefde sluimert door de glans ervan geleid mogen worden.

Waarlijk, machtig zijt Gij te doen al wat Gij wilt, en Gij houdt het koninkrijk der schepping in Uw greep. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

Duisternis omringt ieder land, o mijn God, en doet de meesten Uwer dienaren beven. Ik smeek U, bij Uw Allergrootste Naam, in iedere stad nieuwe schepselen te doen opstaan die zich tot U zullen keren en U onder Uw dienaren zullen gedenken, die krachtens hun woorden en wijsheid het vaandel van Uw zege zullen ontplooien en die zich zullen losmaken van al het geschapene.

Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Almogende, Hij Wiens hulp door alle mensen wordt afgesmeekt.

Bahá’u’lláh

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw kracht en Uw macht en Uw soevereiniteit, die allen die in Uw hemel en op Uw aarde zijn omvatten, Uw dienaren deze stralende Weg en dit rechte Pad bekend te maken, dat zij Uw eenheid en Uw één-zijn mogen erkennen met een zekerheid die niet door de nutteloze verbeelding der twijfelaars zal worden verzwakt noch door de ijdele hersenschimmen der eigenzinnigen zal worden verduisterd. Verlicht, o mijn Heer, de ogen van Uw dienaren en verblijd hun hart met de luister van het licht van Uw kennis, dat zij de grootheid van deze verhevenste rang mogen begrijpen en deze stralendste Horizon erkennen, opdat het getier der mensen hen niet weerhoude hun blik te wenden naar het schitterende licht van Uw eenheid en hen niet verhindere hun gelaat te heffen naar de horizon van onthechting.

Bahá’u’lláh

O mijn God, helpt Gij Uw dienaar het Woord te verheffen, wat nutteloos en onwaar is te weerleggen, de waarheid vast te stellen, de heilige verzen wijd en zijd bekend te maken, de pracht ervan te onthullen en het morgenlicht in het hart van de rechtvaardigen te doen opkomen.

Gij zijt waarlijk de Edelmoedige, de Vergevende.

`Abdu’l-Bahá

O God, mijn God! Helpt Gij Uw vertrouwde dienaren een liefdevol en warm hart te hebben. Help hen het licht van leiding dat van de Scharen in den hoge komt in alle landen der aarde te verspreiden. Waarlijk, Gij zijt de Sterke, de Krachtige, de Machtige, de Albeheerser, de Immerschenkende. Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige, de Zachtzinnige, de Liefderijke, de Milddadigste.

`Abdu’l-Bahá

Gij weet, o God, en zijt mij tot getuige dat ik geen ander verlangen in mijn hart heb dan Uw welbehagen te verwerven, bevestigd te worden in dienstbaarheid aan U, mij te wijden aan het U dienen, te werken in Uw grote wijngaard en alles te offeren op Uw pad. Gij zijt de Alwetende en de Alziende. Ik heb geen andere wens in mijn liefde voor U dan mijn schreden naar de bergen en de woestijnen te richten om de komst van Uw Koninkrijk luide te verkondigen en Uw roep onder alle mensen aan te heffen. O God! Maakt Gij de weg vrij voor deze hulpeloze, geeft Gij deze zieke Uw remedie en schenk deze getroffene Uw genezing. Ik smeek U met brandend hart en tranen in de ogen aan Uw Drempel.

O God! Ik ben bereid iedere bezoeking op Uw pad te doorstaan en verlang er met heel mijn hart en ziel naar iedere ontbering tegemoet te treden.

O God! Behoed mij voor beproevingen. Gij ziet en weet dat ik mij van alle dingen heb afgewend en mij van alle gedachten heb bevrijd. Ik heb geen andere bezigheden dan het U noemen en geen ander streven dan U dienen.

`Abdu’l-Bahá

Inzichten over gesprekken met jongeren

Grootsheid van de transformatie

Aantrekking tot schoonheid is een van de kenmerken van de menselijke ziel. Telkens weer blijkt dat jongeren zich voelen aangetrokken wanneer het gesprek hun hogere natuur aanspreekt. Onderrichters zullen grote ontvankelijkheid tegenkomen als zij in gesprekken de overtuiging overbrengen dat alle jongeren verlangen naar het bouwen aan een betere wereld en ook wanneer onderrichters aangeven wat de grootsheid van de verandering is, waar Bahá’u’lláh toe oproept, zowel op individueel niveau als het diepgaande proces van transformatie dat op alle niveaus in de samenleving zal moeten plaatsvinden.

Het educatieve proces

Zich eenmaal bewust van de grootsheid van de transformatie die nodig is, is het vervolgens belangrijk dat de jongere een glimp opvangt van hoe dit kan worden bereikt. Ons vermogen om de aard van het educatieve proces te delen met anderen is belangrijk geweest voor de opbouw van een gedeeld inzicht in de unieke rol die dit proces speelt in de vooruitgang van de mensheid. Dit inzicht blijkt een belangrijke en duurzame bron van motivatie te zijn.

Bestuderen van materialen

Een van de meest effectieve manieren die sommige onderrichters geleerd hebben om dit te doen, is door studie van het materiaal met anderen, zelfs bij een eerste gesprek. Er is in meerdere settings ervaren, dat de studie van het materiaal (hetzij een jeugdboek, kinderklasmateriaal, een gebed of citaten uit Boek 1) de aard van een gesprek met jongeren verandert. Hindernissen worden overwonnen, hoewel indirect, en jongeren zien de mogelijkheden concreter om de nobele doelen en de verheven visie op materiële en spirituele vooruitgang in hun gemeenschappen te bereiken.

Rol van het trainingsinstituut

Een ander belangrijk kenmerk van de gesprekken dat aan het licht is gekomen is de kundigheid om de rol van het trainingsinstituut te delen als instrument van onbegrensde mogelijkheden om mensen uit te rusten met de kwaliteiten, vaardigheden en capaciteiten om te dienen. Bovendien biedt het trainingsinstituut een omgeving van wederzijdse ondersteuning en vergezelling; individuen staan op en dienen in het gezelschap van anderen waardoor moeilijke taken makkelijker worden. Wanneer onderrichters persoonlijk delen welke rol het trainingsinstituut heeft gespeeld bij het mogelijk maken te doen waartoe ze voorheen niet in staat waren en vrijgevig zijn in het delen van de impact ervan op hun eigen leven, heeft het anderen geholpen om de kracht van het trainingsinstituut te zien en zichzelf het pad van dienstbaarheid te zien bewandelen. Het verkennen van de aard van de instituutscursussen helpt jongeren in te zien dat ze niet hoeven te beginnen als ‘kampioenen van gerechtigheid’, maar dat deelname aan het trainingsinstituut ze helpt om daar naartoe te groeien.

Introduceren van het eerste Ruhi boek Bespiegelingen over het leven van de geest

Het aantal plaatsen waar Bespiegelingen over het Leven van de Geest, het eerste boek van de hoofdreeks van de cursussen die het Ruhi Instituut aanbiedt, wereldwijd wordt bestudeerd, is al vele jaren aan het stijgen. In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt het materiaal gelezen en besproken door een groep vrienden, die een leerkring vormt die regelmatig bijeenkomt, samenkomt in een campagne voor intensieve studie of samenkomt in een kamp tijdens de schoolvakanties. In elk geval treedt één lid van de groep op als begeleider. De relatie tussen de begeleider en de andere deelnemers is er niet een van leraar tot student; ze zijn allen bewust bezig met een proces waarin ieder probeert te leren. Maar de begeleider is ook geen afstandelijke en passieve gespreksleider. Als hij of zij een voldoende aantal cursussen in de reeks heeft gevolgd en de handelingen heeft verricht die zij aanmoedigen, is hij of zij in staat elk lid van de groep te helpen bij het bereiken van het doel van het bestudeerde materiaal. Degenen die als begeleider van Boek 1 optreden, kunnen het nuttig vinden om de ideeën die in deze inleiding worden gepresenteerd van tijd tot tijd nogmaals door te nemen.

Deelnemers aan deze eerste instituutscursus komen wereldwijd vanuit verschillende achtergronden. Sommigen zijn al lid van de Bahá’í-gemeenschap en hopen hun capaciteit om de Zaak die ze hebben omarmd te dienen, te vergroten. Anderen zien de cursus als het begin van hun onderzoek naar het bahá’í-geloof als religie. Weer anderen voelen zich aangetrokken tot de bahá’í- idealen en willen kennismaken met de doelstellingen en inspanningen van de gemeenschap. En er zijn steeds meer jongeren die de cursus als een eerste stap nemen om hun capaciteit om de samenleving te dienen te ontwikkelen, vaak via een of ander programma dat door de Bahá’í- gemeenschap wordt gepromoot.

Vanaf het begin moet het voor elke deelnemer duidelijk zijn dat de cursussen van het Ruhi Instituut een pad van dienstbaarheid aan de mensheid volgen, waarop we elk in ons eigen tempo lopen, terwijl we anderen assisteren en zelf bijgestaan worden door anderen. Het volgen van dit pad impliceert het nastreven van een tweeledig moreel doel: het bijhouden van de eigen spirituele en intellectuele groei en het bijdragen aan de transformatie van de samenleving. Vooruitgang op het pad brengt de ontwikkeling met zich mee van een aantal vermogens die begrip en kennis vereisen, geestelijke kwaliteiten en prijzenswaardige houdingen, evenals een groot aantal vermogens en vaardigheden. De bronnen van kennis waarop de boeken van het Instituut zijn gebaseerd zijn enerzijds de leer van het Bahá’í-geloof en anderzijds de toenemende ervaring van de wereldwijde bahá’í-gemeenschap in het bevorderen van de materiële en spirituele beschaving. Het is Bahá’u’lláh’s visie op het individu dat we kunnen worden en op de beschaving die we kunnen opbouwen, die het Instituut inspireert. Er wordt aangenomen dat alle deelnemers, onafhankelijk van hun achtergrond, openstaan voor het omarmen van deze visie, die in elk deel van elk boek expliciet aanwezig is.

Tweevoudige moreel doel

De cursussen van het Ruhi Instituut zijn bedoeld om de deelnemers te helpen een pad van dienstbaarheid te bewandelen. We bewandelen dit pad vanuit een tweeledig doelgerichtheid: om geestelijk en intellectueel te groeien en bij te dragen aan de transformatie van de samenleving. Deze twee aspecten van ons doel zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bahá’u’lláh moedigt ons in een passage aan:

“Houdt u niet bezig met uw eigen belangen; laat uw denken gericht zijn op hetgeen de mensheid geluk en welzijn brengt, en hart en ziel der mensen heiligt.” 1

In een andere passage maakt Hij duidelijk:

“…het doel waarvoor de sterfelijke mens vanuit het volslagen niets in het rijk van het bestaan is gekomen, is om te werken aan de verbetering van de wereld en om met elkaar in eendracht en harmonie samen te leven.” 2

Met betrekking tot onze innerlijke toestand, verklaart Hij:

“Een zuiver hart is als een spiegel; polijst het met liefde en verwijdering van alles buiten God opdat de ware zon erin moge schijnen en de eeuwige ochtend erin moge gloren.” 3

En ’Abdu’l-Bahá vertelt het ons:

“Uw hart moet zuiver zijn en uw bedoeling oprecht, opdat u ontvangers van de goddelijke gaven mogen worden.” 4

  1. Wat moet de focus zijn van onze gedachten en zorgen?
  2. Met welk doel zijn we vanuit het volslagen niets naar het rijk van het bestaan gestapt?
  3. Waarmee moeten we de spiegel van ons hart reinigen?
  4. Noem enkele voorwaarden die goddelijke schenkingen aantrekken?
  5. Wat van het volgende is waar?
  • Eerst moet je voor jezelf zorgen en dan kun je voor anderen zorgen.
  • Als je altijd anderen helpt, verlies je uiteindelijk je eigen doelen uit het oog. Je bent zelf je beste vriend.
  • Het belangrijkste is dat je erachter komt wat je gelukkig maakt.
  • Volg je dromen, en ze zullen je naar geluk leiden.
  • Zolang je niemand anders pijn doet, maakt het niet uit wat je doet.
  • Het is goed voor je motivatie om egoïstisch te zijn, zolang je maar wat goeds doet.

Een overtuiging die centraal staat in ons tweeledige doel is dat wij allen nobel zijn geschapen. Bahá’u’lláh zegt:

“O Zoon van Geest! Ik schiep u rijk, waarom maakt gij u arm? Edel vormde Ik u, waarom vernedert gij u? Uit het wezen van kennis gaf Ik u aanzijn, waarom zoekt gij verlichting bij iemand anders dan Mij? Uit de klei der liefde kneedde Ik u, waarom houdt gij u met een ander bezig? Richt uw blik op uzelf, opdat gij Mij bestendig in u vindt, krachtig, machtig en bij-zich-bestaand.”

Om trouw te zijn aan de adeldom van onze ziel, moeten we ons wenden tot de Bron van ons bestaan en verlichting bij Hem zoeken. Een van de meest overtuigende manieren om dit te bereiken is door middel van gebed. In de baha’i geschriften lezen we dat zijn belangrijkste doel is: “de ontwikkeling van het individu en de samenleving door het verwerven van geestelijke deugden en vermogens. De ziel van de mens moet eerst gevoed worden. En gebed kan het beste in dit geestelijk voedsel voorzien.” 6

Onderwerpen voor gesprek

Materiële en Geestelijke groei

  • Wat zijn de doelstellingen van onze gemeenschap?

Verklaring namens de Jongeren (Boek 5)

Wij zijn niet langer kinderen en moeten serieus gaan nadenken over onze toekomst. In de wereld waarin wij leven wordt veel geleden en ze gaat gebukt onder tweedracht. Wij willen bouwen aan een nieuwe wereld, waarin mensen in harmonie met elkaar leven en waarin geen plek meer is voor oorlog en armoede. Om een nieuwe wereld te bouwen moeten we beginnen bij onze eigen gemeenschap. Dat is de reden waarom wij met elkaar praten, over materiële en geestelijke groei in ons kleine dorp, Alegrías. Om in materieel opzicht vooruit te komen moeten we onze landbouw verbeteren, onze gezondheid beter in de gaten houden, meer scholen hebben, en werkzaam zijn in handel en industrie. Met de vruchten die ons werk afwerpt moeten we onze huizen, ons dorp en onze omgeving veranderen in prachtige verblijfplaatsen, waar we allemaal kunnen genieten van een schone en gezonde omgeving.

Materiële vooruitgang voor alle mensen is niet haalbaar als we niet ook geestelijke vooruitgang boeken. Zonder spiritualiteit wordt een aantal mensen rijk terwijl de rest voortleeft in armoede. Om als gemeenschap onze doelstellingen te bereiken moeten we ons verenigen, rechtvaardig handelen, samenwerken en vriendelijk zijn voor anderen, en vrijgevig, eerlijk en betrouwbaar zijn. Rechtvaardigheid, vrijgevigheid, liefde en vriendelijkheid, eerlijkheid en betrouwbaarheid zijn spirituele eigenschappen waardoor we zowel materiële als geestelijke groei bereiken.

We hebben geestelijke eigenschappen niet alleen maar nodig om een betere wereld te creëren. We hebben ze ook nodig voor het leven van onze ziel, dat niet eindigt in deze wereld. Materiële en geestelijke vooruitgang betekent dat we iedere dag streven naar voortreffelijkheid in de materiële en geestelijke aspecten van ons leven, dat we hard werken aan het bouwen van een rechtvaardige en vreedzame wereld en dat we ons voorbereiden op een eeuwig leven van blijdschap en geluk.

Desintegratie en crisis

  • Wat is crisis; hebben we het nodig?
  • Wat zijn enkele van de vernietigende krachten die de wereld teisteren? Welk effect hebben die op onze levens en het gemeenschapsleven?
  • Hoe moeten we reageren wanneer rampspoeden en moeilijkheden op ons pad komen?
  • Wat zijn de opbouwende krachten waarvan we het begin zien opkomen in de wereld? Hoe komen die tot uiting?
  • Met welke van deze krachten moeten we samenwerken? Hoe voorkomen we dat we ongemerkt toch verouderde of vernietigende neigingen in onze levens versterken?
  • Hoe kunnen we elkaar ondersteunen om de krachten van integratie in onze gemeenschap vooruit te helpen?

Op een dag als deze, wanneer de stormen van beproevingen en problemen de wereld hebben omvat, en angst en beven de planeet in beroering hebben gebracht, moet u allen met een verlicht gelaat en een stralend voorhoofd boven de horizon van vastberadenheid en standvastigheid uitstijgen, op zo’n wijze dat, als God het wil, de duisternis van angst en ontzetting volledig kan worden verdreven, en het licht van zekerheid boven de zichtbare horizon kan aanbreken en stralen.

’Abdu’l-Bahá

’Abdu’l-Bahá geciteerd door het Universele Huis van Gerechtigheid in de Naw-Rúz 2020 Boodschap aan de bahá’ís van de wereld.

Terwijl we de wereld om ons heen bezien, zijn we gedwongen om de veelvuldige bewijzen waar te nemen van die wereldomvattende gisting die op ieder continent van de aardbol en in elk aspect van menselijk leven, hetzij religieus, sociaal, economisch of politiek, de mensheid aan te zuiveren en een nieuwe vorm aan te geven is vooruitlopend op de Dag waarop de heelheid van het menselijk ras erkend en haar eenheid gevestigd zal zijn. Er kan echter een tweeledig proces onderscheiden worden, waarvan elk er op zijn eigen manier en met een versnelde vaart ertoe neigt de krachten die het aanzicht van onze planeet aan het veranderen zijn tot een hoogtepunt te brengen. Het eerste is in essentie een integratieproces, terwijl het tweede fundamenteel ontwrichtend is. Het eerstgenoemde ontvouwt, terwijl het zich gestadig ontwikkelt, een Stelsel dat goed als model kan dienen voor dat wereldbestel waarheen een vreemd verwarde wereld zich voortdurend voortbeweegt; terwijl het laatste, naarmate zijn desintegrerende invloed toeneemt, er toe neigt de verouderde barrières, die de voortgang van de mensheid naar haar voorbestemde doel proberen de blokkeren, met toenemend geweld neer te halen.

Shoghi Effendi

Shoghi Effendi – De Wereldorde van Bahá’u’lláh H7 §23

Rechtvaardigheid

  • Hoe draagt het hooghouden van rechtvaardigheid op het niveau van het individu bij aan het hooghouden van rechtvaardigheid op collectief niveau?
  • Hoe verschilt rechtvaardigheid op individueel niveau van het collectief niveau?
  • Hoe zien onderdrukking en tirannie eruit op het niveau van een wijk of een gemeenschap?
  • Hoe houden rechtvaardigheid op gemeenschapsniveau hoog?
  • Hoe kunnen we als gemeenschap de toegang, het genereren, toepassen en verspreiden van kennis? Wat zijn de uitdagingen waar we voor staan?

Het licht van de mens is Gerechtigheid. Doof het niet met de tegenwind van onderdrukking en tirannie. Het doel van gerechtigheid is het verschijnen van eenheid onder de mensen. De oceaan van goddelijke wijsheid zwelt aan met dit verheven woord, terwijl de boeken der wereld de innerlijke betekenis ervan niet kunnen bevatten.

Bahá’u’lláh

‘Kalimát-i-Firdawsíyyih (Woorden van het Paradijs)’, Tafelen van Bahá’u’lláh Geopenbaard na de Kitáb-i-Aqdas p.29 (6e blad)

Verandering door gebed

  • Hoe kan gebed helpen om onze harten en gemeenschappen te veranderen?
  • Hoe weten we of we in de juiste richting veranderen?
  • Als verandering soms ongemakkelijk voelt, hoe weten we dan of dat ongemak goed is of dat we iets verkeerd doen?

Is het immers niet het doel van iedere Openbaring om in de hele aard van de mensheid een verandering tot stand te brengen, een verandering die zich uiterlijk en innerlijk kenbaar zal maken en die zowel het innerlijke leven als de uiterlijke omstandigheden zal beïnvloeden?

Bahá’u’lláh

Bahá’u’lláh, de Kitáb-i-Íqán (Het Boek van Zekerheid) p.14, 15, 134.

Racisme Overwinnen

  • Wat zijn enkele belemmeringen voor eenheid die in onze gemeenschappen bestaan?
  • Wat kunnen we doen om ze te overwinnen?
  • Wat zijn enkele mogelijkheden voor ons om rechtvaardigheid in onze gemeenschap te bevorderen?
  • Welke gewoonten, gedragingen en houdingen vertoont ieder van ons, zelfs subtiel of onbewust, waardoor racisme zou kunnen voortduren?
  • Wat kunnen we als groep vrienden doen om racisme in onze wijken te overwinnen? Hoe kunnen we ‘het licht van liefde’ in het hart van onze leeftijdsgenoten brengen?

De bewijzen van tweedracht en haat zijn overal zichtbaar, hoewel allen werden geschapen voor harmonie en eenheid. …Het tabernakel van eenheid is opgericht; beschouwt elkander niet als vreemden. Gij zijt de vruchten van één boom en de bladeren van één tak. Wij koesteren de hoop dat het licht van gerechtigheid zal schijnen op de wereld en haar zal zuiveren van tirannie.

Baha’u’llah, “Tafel van Maqsúd”, Tafelen van Bahá’u’lláh geopenbaard na de Kitáb-i-Aqdas (Bahá’í Uitgeverij Nederland, Den Haag, 2015)